Nog aparter dan twee exact dezelfde camera's die verschillende kleuren geven (voor wie er oog voor heeft natuurlijk) is het volgende.
Op 29 juli 2010 doet de Fietsersbond een bericht uitgaan over de gevaren van paaltjes midden op het fietspad. Dat is nu twee dagen geleden. Spugend tussen twee vingers door, ik veeg het later heus wel weer op hoor, zweer ik dat ik dat bericht niet gelezen heb, niet gehoord heb en ook op geen enkele andere manier op de hoogte ben en/of kan zijn van deze publicatie. Mijn naam is dus haas, ik zweer het echt.
Heel apart vind ik het dan dat ik twee dagen geleden, dat is inderdaad op 29 juli 2010, geheel en al uit mijn eigenste blote hoofd verzin dat paaltjes op het fietspad toch eigenlijk wel bloedgevaarlijk zijn en dat het de hoogste tijd wordt dat ik daar eens een al dan niet politiek getinte actie tegen ga voeren. Sommige dingen hangen gewoon in de lucht, dat blijkt wel weer.
Natuurlijk trek ik verder geen ranzige conclusies en zeker niet dat ik bijzondere gaven heb want daar heb ik er al meer dan genoeg van zonder er ooit wat mee opgeschoten te zijn in dit kloterige rotleven dat tot nu toe vooral bestond uit het ontwijken van paaltjes op het fietspad. En elke dag maar weer hopen dat ze opeens opgehouden zijn te bestaan want diep van binnen ben ik een rasoptimist.
Hoe apart ook, het belangrijkste is dat ik al lang niet meer de enige blijk te zijn die paaltjes midden op het fietspad op zijn zachtst gezegd niet zo'n goed idee vind. Oprotten en wegwezen dus met die ondingen en rap een beetje! Maak er maar fietsstandaards van of bedspiralen of verzin zelf ook eens iets creatiefs.
Een paar jaar geleden heb ik voor mijn doen erg veel verantwoordelijkheid genomen door mijn eigen gemeente per brief te wijzen op de gevaarlijke situatie dertig meter achter mijn huis. Paaltje midden in het fietspad en ook nog eens precies in de bocht. Zoiets kan alleen een automobilist verzinnen natuurlijk, de onverlaten.
Ik heb gevraagd of het paaltje niet vervangen kan worden door twee paaltjes en noem als voorbeeld een plek elders in mijn gemeente waar dat zo opgelost is. Enkele ambtenarenwachttermijnen later krijg ik per brief keurig antwoord. Een tweede paaltje kost 500 euro en dat is te duur, ik moet maar gewoon goed op blijven letten.
Omdat ik te vrekkig ben om dat tweede paaltje uit eigen zak bij te leggen laat ik het er verder maar bij zitten en fantaseer heel soms alleen nog wat over nachtelijke wraakacties met accuslijptollen die geluidsdemping hebben.
Nu hoeft dat allemaal niet meer, ik hoef alleen nog maar alle mij onwelgevallige paaltjes die ik onderweg tegenkom door te geven aan de Fietsersbond en dan komt het allemaal vanzelf dik in orde. Dat zal in de praktijk vast wel een beetje tegenvallen maar je moet toch ergens beginnen denk ik dan zijnde immers, ik schreef het al, een rasoptimist.
Dus, lieve fietsende medepaaltjeshaters, verzamel ze allemaal als ware het wuppies, beessies, koopzegeltjes of airmiles en lever je verzameling in bij de Fietsersbond. Kunnen die er misschien nog iets leuks mee doen. Exporteren naar een ontwikkelingsland bijvoorbeeld, wedden dat ze ze daar opeens keihard nodig blijken te hebben?
Gaan we later nog wel eens tijdens een ouwelullentoertochtje met electro-ondersteuning achter een stukje appelgebak zitten meesmuilen over die goeie ouwe tijd, toen je als fietser nog af en toe wat meemaakte onderweg en altijd op je hoede moest zijn. Rotonde, container, hoop zand, hond, wandelaar, auto, vrachtauto, busje, paaltje... PAALTJE!
Was ik maar een kleurofiel, die gaan heel wat meer ontspannen met de kleuren om waar ze zo gek op zijn. Helaas, ik ben zelden ontspannen en ondanks mijn fascinatie voor kleuren (alles behalve beige en legergroen) ben ik daardoor geen kleurofiel maar veel eerder een kleuroot. Een kleurliefhebbende neuroot dus, meer valt er echt niet van te maken.
Een van mijn camera's geeft er weer eens de brui aan, het LCD-scherm wordt geregeld zwart en als dat echt hinderlijk begint te worden is het hoog tijd voor een reparatie die hopelijk onder de garantievoorwaarden valt.
Dat betekent dat ik het weer een poosje met slechts één camera zal moeten stellen wat voor de veelzijdige fladderaar die ik ben eigenlijk veel te weinig is. Tenzij ik ruimte in mijn verkrampte denkbeelden weet te creëren en voor die oplossing kies die niet erg zuinig en calvinistisch is maar wel heel praktisch.
Ik hik er een aantal dagen tegenaan en weet mezelf dan eindelijk eens een keertje te overstijgen door gewoon een derde camera te kopen. Nee, die ga ik nooit terugverdienen nee, en dat hoeft ook niet. Dat hou ik mezelf een poosje driemaal daags voor en uiteindelijk werkt het mantra en haal ik achteloos even een cameraatje in de winkel alsof het me allemaal niets doet. Was ik altijd maar zo makkelijk...
Ik twijfel in eerste instantie aan mijn ogen als ik thuis een fotoserie van palingvissers op het IJsselmeer wel erg groen vind uitpakken. Ik kom daar niet zo vaak, op die dijk tussen Urk en Lemmer, dus wie weet is het licht daar echt wel een stuk groener dan ik me herinner.
Dan zie ik vergelijkbare beelden van dezelfde serie uit mijn oude E510 die voor mijn gevoel wel kloppen en heb het grapje door. Niet te geloven en heel apart om te ontdekken. Mijn nieuwe Olympus E620 geeft hele andere kleuren dan mijn oude Olympus E620. Precies dezelfde camera, maar wel met minder magenta en meer groen en reken maar dat ik weer weken of zelfs maanden zal moeten ploeteren om de beeldchip, die kennelijk uit een latere batch afkomstig is, via mijn steeds complexer wordende workflow onder de knie te krijgen.
De oude E620 was in het begin ook net niet helemaal naar mijn zin en daardoor raakte ik zo doorgedraaid dat er zelfs op de E510 nog wel wat aan te merken bleek. Als je maar lang genoeg kijkt en tuurt en staart zijn al mijn oudere foto's net een tikkeltje te groen. Toch wel eigenlijk, achteraf gezien en na twee jaar volle tevredenheid.
Mijn vrouw, die inmiddels heus wel een beetje oog heeft voor de dingen die er echt toe doen in fotografie, ziet zelden verschil tussen de foto's uit de camera en de beelden die ik met veel moeite ontwikkel, corrigeer, nabewerk en dan eindelijk trots laat zien.
Maar ja, mijn vrouw is mijn vrouw en ik ben ik. En die ik is helaas nogal eigenwijs, erg hardleers en, dat blijkt wel weer, vooral een akelig pietepeuterige kleuroot.
Gek is dat eigenlijk. Bijna iedere fotosafari die ik onderneem levert me wel een paar verrassende plaatjes op en toch blijft dat idee maar hardnekkig in mijn achterhoofd rondfietsen dat ik nu alles wel zo'n beetje gehad heb.
Vooral vlak voor vertrek, als er een route, doel of op zijn minst enige richting bepaald moet worden komt dat idee ijverig naar voren gereden. 'Alles in de buurt ken ik al en ik moet dus vooral wat verder van huis zien te komen', denk ik dan. Soms lukt dat inderdaad maar veel vaker zitten hoofd of andere lichaamsdelen op een of ander manier in de weg en dwingen me tot bescheidenheid en niet al te frivole uitspattingen.
Zuchtend leg ik me maar weer neer bij die stroeve en stramme realiteit en beperk me opnieuw tot een muf en saai rondje Wieden, Weerribben of Doldersummerveld. Heel mooi allemaal en ik weet donders goed dat ik een geluksvogel ben met zoveel afwisselend natuurschoon om de hoek. Maar ik heb het allemaal al zo vaak gezien en ik ken het nu wel zo'n beetje.
Denk ik dan toch weer. Licht mokkend sukkel ik mijn rondje en kom geheid weer een verrassing tegen. Iets wat ik nog niet eerder zag maar vaak genoeg ook iets wat ik wel eerder zag maar nog nooit met zo'n mooie wolk erboven of met zulk mooi licht er bij.
Soms zie ik zelfs iets wat ik al veel mooier zag maar toen had ik geen zin om te stoppen en nu wel. Kortom, je kunt met mij, m'n fiets en m'n camera's alle kanten op en het is raar dat ik thuis voor vertrek toch weer telkens denk dat ik alles zo'n beetje ken. In werkelijkheid is daar dus geen sprake van. Alles is altijd weer net even anders en onthou dat nou toch eens een keer man!
Slechts een paar keer per jaar wordt mijn stomme vooroordeel bevestigd en maak ik onderweg inderdaad niets maar dan ook echt helemaal niets mee. Dat zijn de dagen dat ik in wanhoop op zoek ga naar verkeersborden met spelfouten, aardige grafische motiefjes op boomstammen of diepzinnige patronen in de bestrating. En zo weet ik zelfs van die paar rotdagen meestal nog wel iets te maken.
Maar ik ben erg hardleers en ga dus ook deze keer weer op pad met het idee dat het allemaal helemaal niks gaat worden want ik zou werkelijk niet weten wat ik nu nog tegen moest komen in de Weerribben die ik inmiddels bijna ken als mijn broekzak. Zo oersaai allemaal.
Tadaa, verrassing! Onder een oerhollandse wolkenlucht wordt bij Ossenzijl een wedstrijd rietbranden gehouden. Zo lijkt het tenminste. Geheel vanzelfsprekend heb ik hier in de Weerribben al vaker brandend riet gefotografeerd maar het tafereel dat men nu speciaal voor me klaargezet heeft is wel heel erg aardig.
Terwijl ik verveeld nagekeken word door twee te dikke bootjesmannen die op z'n zaterdagmorgens hun vakantie staan de verlummelen sleep ik de Quest over een wandelpad het rietland in en voer daar op een lichte verhoging in het paadje mijn gebruikelijke rituele fotodansje uit. Dat daar niet bij gehuppeld en gesprongen wordt is alleen maar omdat je dan bewogen foto's krijgt en ik heb ze nou eenmaal het liefst haarscherp.
Al fotograferend kom ik vanzelf weer in mijn hum en als het vooroordeel goed uit de ogen is gewreven zie ik dat de lucht en het licht vandaag zo fraai zijn dat het werkelijk geen biet uitmaakt waar ik rondhang, zolang ik maar fier met mijn hoofd rechtop blijf lopen want daarboven gebeurt het allemaal vandaag.
Ik fiets een saai stukje langs de Linde maar dat is vandaag helemaal niet saai met vlinders en wolkenluchten en ook de akelige drukke rotweg dwars door de Rottige Meente levert pardoes een aantal aardige foto's op.
Bij Kuinre stop ik voor een klein kapelletje en vraag mezelf verbijsterd af waarom ik dat er nog nooit netjes opzette. Het zien en fotograferen van kapelletjes heb ik kennelijk pas op mijn vrij recente vakantie in Zuid-Limburg geleerd en ik zet het prachtige gebouwtje er nu alsnog op alsof mijn leven er vanaf hangt.
Zelfs de oersaaie oude zeedijk naar Blokzijl brengt geen rust, ook daar weer allerlei plekjes die ik al jaren ken maar die vandaag opeens schreeuwen om een foto omdat de lucht er boven zo mooi is. Met een bijna volgeschoten fotokaart kom ik thuis en ik neem me voor om nu voor eens en altijd te onthouden dat alles altijd weer anders is en dat een rondje om de kerk net zo spectaculair kan uitpakken als een wilde monstertocht door het halve land. Maar over een paar dagen ben ik dat ongetwijfeld al lang weer vergeten, bevooroordeeld leeghoofd dat ik ben.
Het noodweer stelt in mijn contreien niet veel voor en beperkt zich tot royale regen en een loeiend slaapkamerraam. Wel is er een aardige vooraankondiging met fraaie structuren in de lucht. Omdat ik veel fantasie heb kan ik er, lui hangend vanuit het slaapkamerraam, van alles in zien maar aan het eind van mijn verbeelding kom ik elke keer weer uit bij een abstracte versie van Delfts Blauw.
Natuurlijk zou ik nu ergens buiten op het open veld moeten zijn maar daar waag ik mijn Quest niet aan en een pantservoertuig dat niet door elke omgevallen boom hopeloos tot stilstand komt heb ik nog steeds niet in mijn bezit. Thuisblijven dus maar en vanuit het raam tellen hoe ver weg de bliksem inslaat.
Eerder op de dag wordt er wel een bescheiden stukje gefietst maar met vrij weinig plezier. Bij het krieken is het al ruim over de twintig graden maar vooral heel klam, klef en onvoorstelbaar smerig. Bij in- en uitstappen glijden mijn handen iedere keer weg omdat alles glibbert van het zweet. De stevige wind nog zou enige verkoeling kunnen brengen als hij niet rechtstreeks uit een heteluchtoven kwam.
Dat ik vergeten heb mijn bril met anticondens in te smeren doet er eigenlijk niet toe want zelfs je ogen lijken te beslaan door de hoge luchtvochtigheidsgraad. Het is voor het eerst in mijn velomobielende leven dat ik verlang naar een open fiets en af en toe hang ik heel patserig even een arm buiten boord. Alsof dat helpt.
Ik fiets langs de rand van de Dwingeloose Heide die op veel kaarten Dwingeloosche Heide heet en soms ook nog Dwingelose Heide wordt genoemd dus wie het weet mag het zeggen. Zelf rouleer ik op mijn beeldbank een beetje met de naamgeving in een poging om het iedereen naar de zin te maken. Wie van consistente gebiedsaanduidingen houdt heeft dus pech gehad.
Langs een stuk heide dat kort geleden afgeplagd werd zie ik gele bloemetjes bloeien. Het meeste geel wat je nu ziet is een of ander streepzaad dat in zoveel smaken geleverd wordt dat ik het maar heel eenvoudig bij streepzaad hou. Wel zo veilig. Behalve als het bijvoorbeeld muursla is of havikskruid, dan zit je er met streepzaad nog steeds ver naast.
Wat ik zie is echter geen streepzaad, muursla of havikskruid dus ik stop en loop nieuwsgierig de Dwingeloose Heide op. Het blijkt beenbreek te zijn en dat is een klein cadeautje want ik fotografeerde al wel eens beenbreek maar zag nog nooit zoveel bloeiaren bij elkaar.
Terwijl ik met de beenbreek in de weer ben begeeft mijn fototoestel het. Het is hetzelfde euvel als een paar dagen geleden, het LCD-scherm gaat opeens op zwart. Hier klopt iets niet helemaal dus die camera mag binnenkort terug naar de winkel voor alweer zijn tweede reparatie.
Toch maar eens een professioneel toestel kopen misschien? Welnee, ik ben immers nog steeds een lichtvoetig en huppelend amateurfotograafje. Verder zijn die intimiderende proftoestellen zo lomp en zwaar dat ik in de Weerribben waarschijnlijk pardoes door het trilveen zak terwijl ik er nu nog net overheen weet te fladderen.
Door het haperende LCD-scherm wordt het fotograferen van de zeer fraaie polletjes zonnedauw die ik vind een heuse uitdaging. Ik kan het klapscherm nu niet meer gebruiken en moet met mijn wang in de modder gaan liggen om nog net een glimp door de zoeker te kunnen zien.
Probeer dan maar eens een scherpe foto te maken en tegelijkertijd de compositie, de lichtval en de optimale scherptediepte een beetje in de gaten te houden. Dat is een van de vele redenen dat ik het voorlopig gewoon bij Olympus hou. Het draaibare LCD-scherm van het compacte en spotgoedkope toestel wordt door mij zoveel gebruikt dat ik echt niet meer zonder zou kunnen.
Als ik thuis de foto's van beenbreek controleer valt me iets op. De opbouw van de bloeiaar doet me opeens heel erg denken aan een nog nooit benoemde grassoort met prachtige oranje bloeiaren die ik vorig jaar ergens in dezelfde omgeving fotografeerde.
Ik zoek de bewuste foto op in mijn eigen beeldbank en lees dat ik die maakte in september. Vreemd hoor, oranje bloeiende beenbreek in september? En nu gele in juli? Ik vind het maar een raar verhaal worden.
Ik snuffel nog wat verder op internet en vind vrij snel uit dat uitgebloeide beenbreek oranje kleurt. Kijk, we komen in de buurt. Als ik dan ook nog een foto vind is het verhaaltje rond en weet ik van een totaal onbekende grassoort uitgebloeide beenbreek te maken. Altijd aardig, zo'n spontane determinatie nadat je de moed al lang had opgegeven.
Als ik helemaal wanhopig ben en echt niet meer weet wat ik moet doen ga ik altijd naar de tracker van mijn website kijken om me te vermaken. Het is een gratis en openbare tracker dus als je zin hebt en je ook zo verveelt kun je zelfs nog meegenieten ook.
Maar het hoeft natuurlijk niet, ik kan me voorstellen dat er maar zo een heleboel mensen zijn die zich minder vervelen dan ik. Misschien moet je nog wel borrelhapjes, bier of oranje ijsco's regelen voor de avond der avonden of zo.
Wat ik doe op die tracker? Kijken hoe beroemd ik al ben, of er veel bezoek was de afgelopen tijd en vooral lachen over de af en toe zeer vermakelijke zoektermen waar mijn website op gevonden wordt. 'Te warm velomobiel' bijvoorbeeld. Hoe verzinnen ze het.
Fijn zo'n zoekmachine die zo graag aan woordje husselen doet dat de halve wereld er zwaar van in de war raakt. Verwarrend bijvoorbeeld voor degene die deze zoekwoorden invoert en dan ergens op een vergeelde en vergeten pagina van mijn weblog terecht komt.
Want ik heb al heel wat over mijn velomobiel geschreven maar nooit dat hij te warm is want dat is hij namelijk niet, nooit. Misschien heb ik ooit geschreven dat als het te warm is, dat je dan altijd nog je velomobiel kunt pakken. Zou best kunnen maar dat is inhoudelijk toch echt iets anders.
En als mijn velomobiel ooit toch te warm is is elke andere fiets dat ook. Bijvoorbeeld op een verdwaald rondje door Friesland met 35 graden in de schaduw. Die juist in Friesland vaak zo ver te zoeken is dus het was vast nog wel wat warmer daar.
Het lastige, uitdagende zo je wilt, van Friesland is dat een afslag te ver het verschil kan maken tussen een ontspannen rondje met ver voor de ergste hitte alweer lekker thuis onder de douche staan of een uit de hand gelopen toertocht die aantoont dat 2 liter drinken minder dan de helft is van wat je eigenlijk nodig hebt als de zon eens echt lekker te keer gaat.
Ik neem helaas de verkeerde afslag en heb te laat door wat dat allemaal aan afzien en lijden gaat opleveren. Wil dan alsnog heel verstandig binnendoor terugsteken om mijn al bijna oververhitte hachje te redden maar dit is Friesland dus er is geen binnendoor meer maar alleen maar veenmoeras, zeilplassen en veel te ver omrijden. Wie echt verstandig is stapt uit de fiets, draait hem andersom en fietst terug naar huis maar dat niveau heb ik nog niet bereikt.
Een mooi landschap, echt een prachtig landschap maar indien bekeken door ogen die beslaan van de hitte en die steken van al het zweet dat er in loopt krijg je er maar weinig van mee. Dat doen we dus nog een keertje over als het wat minder warm is.
En toch ben ik blij dat ik in mijn velomobiel zat, hoe warm het ook was. Lekker uit de zon voor het grootste deel en als je wat gammel en draaierig wordt van de hitte blijft je fiets tenminste gewoon op zijn wieletjes staan.
Een klein nadeel is er ook, toch wel. Door de warmte wordt het stugge mengsel van olie en vet in de veerpoten aanzienlijk minder stug en op een gegeven moment ben ik opeens de demping van mijn achterwiel kwijt, zo heerlijk soepel wordt alles.
Op een vlakke rechte weg geeft zoiets niet zolang je netjes rond blijft trappen met je benen. Maar in Friesland zijn ze dol op golvende tegelpaden en netjes rondtrappen is er met een verhit hoofd en uitgedroogd lijf niet meer zo bij dus als een schommelende wipkip waggel ik wanhopig naar huis.
Bij Wolvega ontdek ik tot mijn grote geluk een waterbron in de vorm van een kraantje op de begraafplaats. Dat is mijn redding en volgetankt trap ik dapper mijn laatste kilometers en ontdek dat tegelpaden ook zo hun voordeel hebben: ze smelten minder snel dan asfalt.
Door smeltend asfalt ploeteren op drie wielen is best een flinke uitdaging en doet je afvragen of 'te warm velomobiel' soms toch meer is dan alleen maar een grappige combinatie van zoekwoorden.
Volgende keer meer over de zoekfrase 'te warm camera', want het LCD-scherm van mijn Olympus camera geeft midden op de dag de geest en is pas laat in de avond weer tot leven te wekken. Misschien bestaat er wel een 'Olympus E620 TrOpIc', toch maar eens uitzoeken op internet.
Dat klinkt alsof ik het te warm heb maar vooral alsof ik verschrikkelijk mijn best heb zitten doen om een lokkende titel te verzinnen. Het eerste klopt, het tweede zou echter een misvatting zijn. Titels schud ik altijd moeiteloos uit mijn mouw, zelfs met een plakkerig hemdje aan.
Met de onzichtbare foto bedoel ik een foto die in het echt niet te zien is. De foto zelf is dus helemaal niet onzichtbaar en in die zin slaat de titel dan ook nergens op, daar is het een titel voor. Maar het tafereel dat ik fotografisch vastlegde lijkt in de aardse werkelijkheid van geen kanten op de foto die het geworden is dus in die zin was de foto in het echt niet te zien. Onzichtbaar noem ik dat dan.
Een slap aftreksel van de werkelijkheid? Nee, eerder het tegenovergestelde eigenlijk. De werkelijkheid bleek maar een slap voorzetje voor de veel krachtiger foto.
Er zijn bepaalde lichtsituaties die een camera door zijn beperkte dynamisch bereik domweg niet goed kan vastleggen. Of misschien wel goed maar niet zoals wij het met het blote oog zien. Of misschien wel zoals wij het met het blote oog zien maar niet zoals wij het uiteindelijk door onze hersenen voorgeschoteld krijgen.
Want we denken wel dat we met onze ogen zien maar dat is maar zeer ten dele waar, een groot deel van onze visuele waarneming wordt bepaald door onze hersenen. Probeer met het blote oog maar eens de perspectivische vertekening van bijvoorbeeld een hoog gebouw te zien. Je ogen kunnen het maar je hersenen corrigeren er zo lustig op los dat het veel oefening vergt om het te zien.
Het kan nog idioter en in dat kader herinner ik me de prismatische triatlonbril voor fietsers die ooit op de markt kwam. In de jacht naar meer stroomlijn kon je een bril met vreemd gevormde glazen opzetten die het licht om een hoekje kon vouwen. Voordeel: je hoeft je hoofd niet op te tillen om vooruit te kijken, dat doet de bril voor je.
Een klein nadeel is er ook: je ziet alles op zijn kop. En nu het aardige: als je een poosje oefent met de triatlonbril op, ik zou persoonlijk thuis achter het bureau beginnen en niet meteen de weg op gaan, ga je alles weer normaal zien. Je hersenen draaien de zaak gewoon weer voor je om.
Nog een verrassing: als je de bril constant gebruikt en na lange tijd weer afzet zie je alles zonder bril op te hebben ook weer op de kop. Ook dat komt wel weer goed maar ik word bij het idee al duizelig dus hoef beslist geen triatlonbril. Een ligfiets lijkt me wel zo praktisch. Niet duizelig, toch goed gestroomlijnd.
Je ogen zien die vervorming dus wel degelijk maar je hersenen corrigeren het en maken dat alles weer lijkt te kloppen. Hetzelfde geldt voor licht en donker en dan vooral voor het verschil tussen licht en donker.
Daarom (openbaring van fotografisch geheim) vallen voor beginnende landschapsfotografen de foto's op bewolkte dagen vaak zo tegen. Het verschil in licht tussen de lucht en het landschap is zo groot dat de camera het niet aan kan en je eindigt daardoor met een overbelichte lucht of een onderbelicht landschap. Beiden zijn geen porum als je wat beter leert kijken en doen menige fotograaf ervan dromen nog eens een bepaalde plek op aarde opnieuw te mogen bezoeken, maar nu met zonlicht.
Je ogen hadden er allemaal geen last van, die kiezen gewoon telkens een ander diafragma waardoor alles keurig belicht wordt en je hersenen goochelen zo verschrikkelijk snel met alle data dat je niet door hebt dat alles van armoedig knip- en plakwerk aan elkaar hangt. En jij maar denken dat je niks staat te doen daar op die heuvel. Zelfs sloom voor je uitkijken is al keihard werken.
Er zijn speciale verlopende voorzetfilters te krijgen die bovenin de lens het licht tegenhouden. Op die manier kun je de camera foppen en ook bij hoog contrast nog aardige landschapsopnamen maken. Ik gebruik die filters ook maar dan de digitale versie ervan. Het verloop kies ik zelf en als het moet kan ik zelfs om die ene boom of kerktoren heen fietsen.
Niet alle contrastrijke situaties zijn echter op te lossen met een verloopfilter dus soms moet je als fotograaf gewoon de handdoek in de ring gooien en aftaaien. Ervaren fotografen houden niet zo van aftaaien, die leren liever de beperkingen van hun apparatuur te benutten en weten in situaties met extreem veel contrast soms spectaculaire beelden te maken.
Die beelden ervaren we waarschijnlijk vooral als spectaculair omdat we zoiets in het echt nooit kunnen zien, vanwege die eeuwig doorcorrigerende hersenen dus. Bijgevoegde foto toont ongeveer wat ik bedoel en dat het alweer koeien werden kan ik ook niet veel aan doen, die staan nou eenmaal overal om me heen want koeien houden van mensen. Bloemen ook trouwens maar dat wist je al.
Hoezo heet? Deze boerderij, die heeft het pas heet. Te heet zelfs en er is uiteindelijk niet veel van overgebleven, net zomin als van het schuurtje dat er naast stond. Maar dat echte afbranden maak ik allemaal niet meer mee, dan fiets ik al lang weer elders.
Als ik de kans krijg, en die krijg ik deze keer tot mijn verbazing, maak ik natuurlijk heus wel een foto van een uitslaande brand in een rietgedekte boerderij maar ik ben beslist geen pyromaan en laat het gebiologeerd toekijken naar de uitbrandende boerderij met alle plezier over aan de daartoe bevoegde instanties zoals politie en brandweer. Die overigens meer doen dan alleen toekijken. Er wordt bijvoorbeeld ook druk beraadslaagd en geblust.
En de omstanders worden ondervraagd natuurlijk. Voor ik verder kan fietsen word ook ik vrij uitgebreid aan de tand gevoeld door een agent die wil weten of ik hier soms beroepsmatig aanwezig ben. Als ik die vraag ontkennend beantwoord wordt er meer toelichting op mijn aanwezigheid verlangd dus ik vertel vrijmoedig over al mijn avonturen die ik de laatste kilometer beleefd heb.
Over de koeien die met zijn allen zonet de wei in huppelden en wat een leuk gezicht dat was, over de dode bomen die een stukje terug in een weiland staan en natuurlijk ook over die boerenvrouw die met een brandblusser langs de weg stond te wachten. Ik vond het al zo'n apart tafereeltje.
Toen rook ik een lichte brandlucht en kwam er opeens een boer op een quad aangescheurd die de brandblusser uit haar handen griste en met een noodvaart weer terug reed. Hij zou die brand bij de buren wel eens even snel blussen.
'Bij de buren' geeft de indruk dat de boerderij bewoond was maar dat was hij godzijdank niet. En de buurboer met quad was helaas te laat met zijn snelle actie, dat kun je zo hebben met een rietgedekte boerderij.
Ik wil dus nooit van mijn levensdagen in een rietgedekte boerderij wonen en daarna ook nog niet. Tegen brandend riet valt niet te lopen, dat gaat zo verschrikkelijk snel en gretig. Ik zie van dichtbij hoe de eerste brandweerwagen arriveert en begint met blussen, hoe een waterwagen arriveert en hoe de ene na de andere politiewagen ter plaatse komt.
Als ik mijn plaatjes geschoten heb, de ondervraging heb afgewerkt en verder fiets komen de eerste echte fotografen aangereden om hun persplaatjes te schieten die later in de krant volkomen verkeerd belicht blijken want van de indrukwekkende vuurzee is op die foto's niks te zien. Hoe het wel moet zou ik ze met alle plezier uitleggen maar daar zijn we allemaal natuurlijk veel te druk voor.
De brand heeft veel indruk op me gemaakt, volkomen terecht denk ik, en ik ben de hele terugweg nogal stilletjes en bedrukt. Het is schokkend hoe snel zo'n brand van een vraagtekenend rookwolkje kan overgaan in een felle uitslaande brand die alles genadeloos platbrandt.
Eerst begint het spul dreigend te roken, dan wat geknal en gekraak. Ruiten springen en opeens schieten metershoge vlammen knetterend uit het dak en is er duidelijk geen redden meer aan. Op tientallen meters afstand voel je de hitte in je gezicht slaan en de flinke brandspuiten van de brandweer doen opeens bijna lachwekkend miezerig aan. Misschien zijn een paar rookmelders in huis toch nog niet zo'n gek idee, zelfs in ons betonnen hok met betonnen dakpannen.