ze hield van alle mannen, en niet om hun geslacht
ze wilde hen beminnen, dat is wat ze dacht
maar heel diep weggescholen, ze kende het niet eens
daar zat haar stukke zieltje, dat wilde iets gemeens
ze was heel openhartig, en zei: ik ben een slet
dat heeft het ijs gebroken, toen gingen we naar bed
ik gaf haar al m'n liefde, dat was een goed gevoel
ze moest er erg aan wennen, ik had een heleboel
en na wat leuke maanden, kreeg ze het benauwd
ze kon niets met de liefde, maar zag bij mij geen fout
ze wilde van me houden maar haar houden van was stuk
ze kon niets met de liefde, en sloopte haar geluk
* * *
en wat ze ook probeerde, ik liet haar niet meer los
ik had haar zelf gevangen in mijn grote liefdesbos
ze moest me wel bedriegen, en koos daarvoor mijn vriend
die gaf maar weinig weerstand, heeft later nog gegriend
pas toen ik ze zag zoenen werd ik een beetje raar
m'n eigen kleine wereldje, dat klapte in elkaar
ik raakte door haar fratsen m'n intuïtie kwijt
was zonder zelfvertrouwen een zombie in die tijd
nu heb ik veel meer afstand, ik zie waarom ze moest
ik kan haar zelfs vergeven wat ze eeuwig heeft verwoest
en in haar stukke zieltje daar woekert het nu voort
het zal haar overgroeien, dan wordt ze uitgemoord
als onverschrokken onkruid, groeit binnen in haar lijf
de haat, de dood, de kanker
nog even, dan is ze stijf
* * *